Nederlands Deutsch Intranet Login

AP 2.1

Praktijkresultaten indrukwekkend: salmonellamonitoring werd in 2011 aanzienlijk efficiënter dankzij verbeterde informatie

Een intensieve salmonellamonitoring zal in de toekomst in alle mest- en slachtbedrijven steeds meer aan betekenis winnen. Met name bij de varkensmesters waren dankzij een in het kader van het INTERREG VI A-project SafeGuard uitgewerkte salmonellamonitoring al in 2011 indrukwekkende verbeteringen te zien, wat hun hoge kwaliteitseis nog eens benadrukt. Volgens de nochtans gangbare procedure ontvangen de in „QS“ gebundelde mestbedrijven eens in de drie maanden informatie over de classificering van de salmonellaresultaten per bedrijf afzonderlijk in de categorieën I, II of III. Per jaar en bedrijf worden ca. 60 vleessapmonsters op salmonella-antilichamen onderzocht. Voor de classificering worden altijd de testresultaten van de afgelopen twaalf maanden in de beoordeling meegenomen. Nadeel van deze aanpak: de varkensmester - voor zover hij niet zelf zijn actuele salmonellaresultaten in de QS-bestuurde „Qualitype”-database controleert - kent niet de status van de op dat moment geslachte mestgroepen.


Onder de administratieve verantwoordelijkheid van de Erzeugergemeinschaft Rheinland, die sinds 2009 in het door GIQS e.V. gecoördineerde project „SafeGuard“ is geïntegreerd, en die als systeemadviseur voor IQ-Agrar (bundelaar voor het QS-systeem) de salmonellamonitoring in ca. 250 mestbedrijven begeleidt, kon in de laatste anderhalf jaar een verbeterd informatiesysteem worden ontwikkeld: de testresultaten van de laatste drie maanden worden uit de salmonelladatabank uitgelezen en de boer wordt daaromtrent geïnformeerd, wanneer:
- er in de laatste 56 dagen geen monsters werden genomen;
- het aantal van 60 monsters niet is bereikt;
- de testresultaten van de laatste drie maanden een verlaging van categorie laten zien.
Deze voortdurend actuele informatie heeft bij de mesters zijn uitwerking niet gemist. Alleen al aanwijzingen op een ontbrekende of tekortschietende bemonstering bij de slachtbedrijven hebben het aantal bedrijven met ontbrekende monsters („bedrijven zonder classificering“) drastisch doen dalen.
Het aantal bedrijven in de categorieën II en III is aanzienlijk gedaald.


De bedrijven hebben op de actuele informatie zonder enige twijfel sneller reageert dan voorheen. Met de dierenartsen werden bovendien saneringsprogramma’s besproken, hygiënische maatregelen geïntensiveerd en bijv. zuurtoevoegingen ingemengd. Medicamenteuze maatregelen waren slechts zelden noodzakelijk.
Tegenwoordig bestaan er overwegingen, de grenswaarde voor een „positieve“ bemonstering van een OD-waarde van 40 op 20 te verlagen. OD-waarden van tussen de 20 en de 40 komen heel vaak voor en wijzen enkel op een vaak ongespecificeerde „basisbelasting“, bijv. door besmette muizen, zonder dat het in de biggenfokkerij of mesterij tot klinische verschijnselen zou zijn gekomen. Testresultaten met OD-waarden van onder de 20 worden statistisch niet verder ingedeeld. Proefondervindelijk liggen de „goede“ waarden vaak zelfs onder de 10; er werden dus geen of nauwelijks antilichamen gevormd.


Komt het tot de verlaagde grenswaarden, dan verandert dit duidelijk de sortering in categorie I-III, gedeeltelijk ook zonder dat die bedrijven een zichtbaar salmonellaprobleem hebben. Consequentie: naar schatting van EG Rheinland zal ca. de helft van de mestbedrijven maatregelen moeten treffen, veel meer ook in overleg met de varkensfokkers. Met een langere tijdspanne zouden zelfs strengere grenswaarden dan de thans geplande gerealiseerd kunnen worden. Beslissend is daarvoor een zo uitgebreid mogelijke informatieverstrekking van de mesterijen aan de varkensfokkers. Deze zal in de toekomst aanzienlijk aan betekenis winnen. In het project „SafeGuard“ wordt aan deze uitdaging in 2012 nog harder gewerkt.
Voor meer informatie kunt u terecht bij EG Rheinland, tel.nr. + 49(0)2841 8803915.

Download persinformatie met illustraties>>

« Back to list